In vrijheid samenleven

In vrijheid samenleven

23-12-2017

 

Ik ben er blij mee dat opiniemakers nu echt beginnen argumenteren t.a.v. het essay ‘In vrijheid samenleven’.  De laatste dagen heeft Twitter vol gestaan met berichten waarbij het duidelijk was dat men het essay enkel kende van de voorpagina.

Dit wil natuurlijk niet zeggen dat ik akkoord ga met alle argumenten die geformuleerd worden.  Een liberal benadering, in de Amerikaanse definitie, is nu eenmaal anders dan een gemeenschapsdenkende, dat is een communitaristische zienswijze.

Ik verschil in de volgende zin van mening met een liberal benadering: in de voorbije jaren, is onze inclusieve samenleving enorm geëvolueerd. Een aantal elementen in die evolutie hebben te maken met diversiteit, cultuur, levensbeschouwing, en socio-economische solidariteit. De raakvlakken van die verschillende elementen komen in mijn essay ‘In vrijheid samenleven’ aan bod, met als centrale vraag: hoe kunnen we zowel onze welvaartsstaat als onze vrije samenleving duurzaam bestendigen?

Hierbij analyseer ik de vraag of het nodig kan zijn om sommige vrijheden van de enen matig in te perken, om blijvend te kunnen garanderen dat anderen nog vrijheden over houden.  In tegenstelling tot sommigen is mijn antwoord op die belangrijke vraag wel bevestigend; namelijk dat redelijk tussenkomen nu nodig, gepast, en ook proportioneel is.

Een eerste argument is dat we ook in sociaaleconomische thema’s – terecht – de vrijheid of de ongebreidelde werking van de markt inperken zodat we een welvaartsstaat kunnen opbouwen en in stand houden.  We nemen een beetje af van sommigen om heel velen gelukkig mee te maken. Het alternatief is immers zuiver en onbeperkt kapitalisme, dat is een primitievere vorm van samenleving die veraf staat van de warme, inclusieve welvaartsstaat die we nastreven.  Indien het klopt dat we zo succesvol zijn met redelijk en proportioneel tussenkomen in economische en sociale zaken, kunnen we dit dan ook doen op het vlak van identiteit?

Een tweede argument is dat de vrijheid om de samenleving volledig te kunnen omarmen, een essentiële vrijheid is.  Een visueel gesplitste samenleving maakt dit moeilijker omdat de sets van waarden dan openlijk gecommuniceerd worden.  Men wordt daarbij uit noodzaak ook gedwongen om te kiezen voor een te lage sokkel van gemeenschappelijke waarden.  De niet-inclusieve samenleving, in de zin dat sub-gemeenschappen zich buiten de gemeenschap zetten, is dus een wezenlijk probleem voor de aanhangers van het gemeenschapsdenken.

Vrijheid van religie is zeker één van de mooiste basisrechten van elke mens op aarde.  Maar de vrijheid van religie komt op een bepaald ogenblik in conflict, of in dialoog, met de vrijheid om de samenleving volledig te kunnen omarmen.  Dan moet je afwegen, dit is niet tégen de mensenrechten en de fundamentele vrijheden zoals sommigen stellen.  Het is wel tussenkomen, de vrijheden van de enen matig inperken om blijvend te kunnen garanderen dat anderen nog vrijheden over houden. Politici moeten trouwens beleid voeren, de wetten stemmen; het is aan de rechters om ze interpreteren en uit te voeren; dat is een wezenlijk verschil.

Een derde argument is dat we een onderscheid moeten maken tussen enkelingen en een grote groep: dat is het argument van schaal.  In het eerste geval kunnen we spreken over een mooie bloem in de wei en valt het fenomeen onder diversiteit, in het tweede geval zitten we duidelijk in een sociologisch perspectief.  Indien alle supporters van AA Gent dagelijks naar hun werk zouden gaan met een op zich onschuldige supporter sjaal rond de hals, dan is het moeilijk om te argumenteren dat er sociologisch niets aan de hand zou zijn.  Een enkeling met een sjaal op zijn werk is daarbij niet te vergelijken. Het is een oneerbiedige vergelijking maar het heeft niets met hooliganisme te maken zoals sommigen stellen.

Deze afwegingen brengen mij tot de conclusie dat het wenselijk is om een verbod te hebben op het dragen van grotere en zichtbare religieuze tekens in Europa voor religies met meer dan 5% aandeel van de bevolking.  Het betreft voor alle duidelijkheid een verbod met uitzonderingen waar de gebedsplaatsen, de private plaatsen en de clerus van alle religies, zoals priesters en imams, zusters, broeders, een uitzondering op zijn.  Het zou voor veel mensen ook redelijk zijn om het verbod te beperken tot de grote zichtbare religieuze tekens.  Een klein kruisje of bijvoorbeeld een hamsa voor de moslims, moet blijvend kunnen.  In de intimiteit van een lichaam, dicht bij de ziel, moet niemand tussenkomen. 

 

In het essay leg ik uit welke drempels cruciaal zijn, en waarom het diversiteitspercentage van 5% een limiet is, vanaf wanneer een verbod kan opgelegd worden. Dit redelijk tussenkomen kan gebeuren vanuit een zachte maar kritische sympathie voor spiritualiteit. 

Volg Hendrik op

       

Twitter