Waarom ik geen voorstander ben van Islamlessen in het katholiek onderwijs

4 mei 2016

Waarom ik geen voorstander ben van Islamlessen in het katholiek onderwijs

 

Lange tijd na het schoolpact is er in ons land een evenwicht geweest tussen cultuur-christenen en vrijzinnigen.  Was er nog een thema zoals euthanasie of abortus, dan kon dat meningsverschil in het parlement uitgevochten worden.  Er komt nu een derde en belangrijke speler bij.  Er zijn 400.000 moslims in ons land die elke week naar de moskee gaan, terwijl er 200.000 katholieken zijn die naar de wekelijkse mis gaan.  

De centrale vraag is hoe we onze samenleving opbouwen met deze belangrijke groep er bij.  We willen samenleven en dat onderscheidt ons zeker van sommigen maar de vraag is hoe we dat dan wel moeten doen?  Wat is de toekomst van de  Grieks-Latijnse en Joods-Christelijke traditie van ons continent?  En hoe past de  Islamitische traditie hier in?  Hoe vormen we gemeenschap? Dát is de essentie.

Een heel belangrijk deel van de moslims baseert zich op overlappende beginselen zoals we die ook in onze gemeenschap kennen.  Wellicht wijken veel van onze individuele deugden niet af van die van hen.  En die van ons niet van die van hen.  Wie durft beweren dat er in de Islam minder solidariteit zou zijn?  Misschien is er zelfs op sommige vlakken wel méér broederlijkheid -term uit de Franse revolutie- dan binnen de cultuur-christelijke middens.  

Maar de relevante – en zelfs cruciale – vraag bij het samenleven is ook de houding van sommige mensen en gemeenschappen t.o.v. mensen van een andere geloofsovertuiging.  Indien een religie uit is op het verwerven van marktaandeel, beïnvloedt dit de houding naar buitenaf. Dat heet proselitisme.  Een godsdienst kan zich dan ook op heel viriele of assertieve wijze uiten.  Hoe sta je tegenover ongelovigen? - dat is dé hamvraag.  

En moeten wij dan, als modern Vlaanderen, in sommige situaties de tolerantie afwegen t.a.v. de assertiviteit?  Wat baat het dan eigenlijk om tolerant te zijn?  Waar stopt het dan? Ergens moeten er immers grenzen getrokken worden.

En wat gebeurt er in extreme situaties?

Er is een deel van de moslims dat we kunnen beschouwen als litteralisten, dit betekent dat ze de koran niet interpreteren of actualiseren maar zo letterlijk mogelijk nemen.  Dit hoeft ons niet te verwonderen.  Ook sommige stromingen in het protestantisme stellen, in de traditie van de sola scriptura,  dat je religieuze teksten niet moet interpreteren, want de vraag stelt zich dan wie er uiteindelijk gaat beslissen wat je letterlijk moet nemen en wat niet.    Daarom moet je, volgens die visie, lezen wat er staat en is het niet aan een tussenpersoon of een kerk om te gaan zeggen hoe je die teksten moet lezen. Maar, is lezen niet altijd een beetje interpreteren? In de Koran, zoals ook in het Oude Testament, maar veel minder in het Nieuwe testament, staan een aantal héél zware passages.  Vooral over wat je met niet-gelovigen kan doen.  Een heel kleine minderheid van de litteralisten gaan dus de Koran letterlijk nemen en voeren uit wat er staat.  Ze volgen een bevel op van een opperwezen dat zegt wat er moet gebeuren.  Dáár ligt een probleem, want op 22 maart hebben we gezien wat de gevolgen kunnen zijn.

Het is duidelijk dat we moeten reageren.  Justitie moet een zware inhaaloperatie inzetten.  Eén van de basisverantwoordelijkheden in de democratie, volgens Montesquieu, is het verzekeren van de veiligheid.  Het monopolie van het geweld is in een staat toebedeeld aan de overheid die dit met politie en leger, wanneer er een externe dreiging is, moet waarmaken.  Een moderne en frisse democratie moet ook vandaag deze taak voorop nemen en dat vergt investeringen in efficiënte wetgeving maar ook in preventie en heropvoeding, zeker in onze gevangenissen waar we het extremisme absoluut geen kans mogen geven.  Wanneer iemand zijn werk verliest, voorziet men outplacement en hulp bij het zoeken naar nieuw werk.  Bij een gevangenisstraf moet men naast de straf, zeker, ook werken aan de persoon en aan heropvoeding en daar zijn meer middelen voor nodig. 

De vraag is ook wat die nieuwe toestand betekent voor de politieke filosofie.  Is er een impact voor onze instellingen en wat kunnen deze zijn?   Moeten wij in een inleiding op de Grondwet onze basiswaarden expliciet naar voor brengen?  Wat zijn dan onze basiswaarden?  Wat zijn ze voor onze partij?  Zijn ze dezelfde als wat andere partijen zouden zeggen? En kunnen we daar tot een consensus komen?

Wat doen we met nieuwe fenomenen in onze scholen waarbij sommige ouders het oudercontact niet bijwonen omdat ze dan geacht worden een hand te geven aan de juf.  Wat doen we wanneer men de kinderen apart wil laten zwemmen of het geen goed idee vindt dat meisjes en jongens naast elkaar op de schoolbank zitten?  Wat is de wettelijke grond om daar tegenbeweging aan te geven?

Het antwoord is eigenlijk vrij simpel en toch is het nieuw wanneer we het heel expliciet stellen:

1. Samenleven met moslims zal nodig zijn in de komende jaren en ik wil er ook een pleitbezorger van zijn.  Dit moet ons onderscheiden van heel veel mensen die dat niet vinden.  In feite kunnen we ook niet anders in een moderne Europese samenleving. Maar, de multi-religieuze samenleving kan niet tot gevolg hebben dat ieder in zijn eigen aparte gemeenschap, op zijn eigen eiland, leeft.  Integratie en in sommige omstandigheden assimilatie zullen werkelijk de nodige voorwaarden zijn.  

2. Er kan geen enkel compromis zijn rond de verhouding tussen man en vrouw.  Enkel de gelijkwaardigheid kan een juist antwoord zijn.  Dit betekent dat elke houding die daar tegenin gaat, strafbaar moet kunnen gesteld worden.  Hier is assimilatie en wetgevend werk noodzakelijk.  Regulering en interventie gaan steeds voor een stuk in tegen vrijheid maar soms zijn ze er -paradoxaal- ook de enige garantie toe.  Wie een ander filosofisch standpunt heeft over de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw zal dus gedwongen worden het standpunt van het parlement, en in feite van onze moderne samenleving, hierover te aanvaarden.

3. Ten allen tijde heeft een besluit van het parlement voorrang op een levensbeschouwelijk standpunt dat het publieke forum bereikt.  Godsdienstvrijheid is, zoals alle andere vrijheden, niet onbegrensd.   Op het ogenblik dat vrijheid andere fundamentele beginselen van onze samenleving ontmoet, moeten er afwegingen gemaakt worden.  Dit is een normaal proces: er is geen scheiding maar steeds een dialoog van beginselen. 

4.  Hoge integratiedruk is nodig op het ogenblik dat uitsluiting en ook zelf-uitsluiting dreigt.  Zelf-uitsluiting zou betekenen dat iemand zich dusdanig opstelt dat het te verwachten is dat hij of zij bijvoorbeeld minder kansen heeft op de arbeidsmarkt.

Ik ben er geen voorstander van dat er aparte Islam lessen gegeven worden in het katholiek onderwijs.   Het geven van de gepaste aandacht aan de Islam binnen de gezamenlijke godsdienstles vind ik een evidentie.

Mijn standpunt is -in lijn met de hierboven uiteen gezette beginselen- het volgende:  De accommodatie, het welwillend zijn, stopt ergens.  Het behoort tot de vrijheid van godsdienst om een katholiek schoolproject te hebben.  De ouders kunnen binnen hun parentale bevoegdheid daarop inschrijven of beslissen om dat niet doen.  

De staat financiert -niet-discriminerend- de diverse filosofische schoolprojecten en neemt verder een neutrale positie in.  

De opkomst van de Islam is ook voor de christen-democratie van het grootste belang.  Ze dwingt ons ook om explicieter te zijn over wat de beginselen zijn van onze beweging.  

De tolerantie en de accommodatie zijn voor mij belangrijke beginselen van onze filosofie maar ze kunnen niet zo groot zijn dat ze leiden tot het opheffen van de eigen filosofie.

Volg Hendrik op

       

Foto's

Twitter